-
1 samenwerken
• to act together• to collaborate• to cooperate• to mate• to work together -
2 meewerken
2 [behulpzaam zijn] assist♦voorbeelden:1 we werkten allemaal een beetje mee • we all pulled together/did our little bit2 allen werkten mee om de onderneming te laten slagen • everyone assisted in making the venture successful -
3 collaboreren
1 [met vijand samenwerken] collaborate -
4 samenwerken
♦voorbeelden:nauw samenwerken • cooperate closelymet haar valt niet samen te werken • she's impossible to work with2 alles werkte samen om de avond een succes te laten worden • everything combined to make the evening a success -
5 collaboreren
v. collaborate, work together, cooperate; cooperate with an enemy country -
6 contrarie
adj. uncooperative, not cooperative, not willing to work together -
7 cooperatief
adj. cooperative, willing to work together; pertaining to a collectively owned and operated business, jointly run -
8 coopereren
v. cooperate, work together -
9 filmploeg
n. film crew, group of people that work together to film a movie -
10 een woon- en werkgemeenschap
een woon- en werkgemeenschapVan Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > een woon- en werkgemeenschap
-
11 werkgemeenschap
1 [groep mensen die een bedrijf exploiteren] cooperative2 [groep personen die een probleem bestuderen] study group♦voorbeelden:Van Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > werkgemeenschap
-
12 elkaar
1 each other, one another♦voorbeelden:elkaar helpen • help each otherzij lijken op elkaar • they look like/resemble one anothertwee touwen aan elkaar binden • tie two ropes togetherzij maakte het achter elkaar af • she finished it in one gohij heeft een uur achter elkaar gepraat • he went on talking for a whole hourachter elkaar staan • stand one behind the otherweken/uren achter elkaar • for weeks/hours on endvier keer achter elkaar • four times in a rowdrie boeken achter elkaar uitlezen • read three books one after the otherbij elkaar komen • meet, come togetherhij heeft ze niet allemaal bij elkaar • he's got a screw loosealles bij elkaar (genomen) • on the whole, all in allzij hebben 50 gulden bij elkaar kunnen leggen • they were able to raise 50 guilderszoveel geld heb ik nooit bij elkaar gezien • I've never seen so much money at oncemeer dan alle anderen bij elkaar • more than all the others put togetherwij blijven bij elkaar • we stick/keep togetherde kinderen lopen door elkaar • the children are running all over the placealles ligt door elkaar • everything is mixed up/confuseddoor elkaar raken • get mixed up/confusedhet verhaal zit goed/slecht in elkaar • the story is well/badly thought outzij werden het met elkaar eens • they came to an agreementze hadden met elkaar nog geen gulden • they didn't have a guilder between themze kwamen enkele minuten na elkaar binnen • they came in within a few minutes of each other/one anothernaast elkaar zitten/liggen/lopen • sit/lie/walk side by sidegetallen onder elkaar zetten • write/place figures in columnszij moeten dat onder elkaar maar uitmaken • they must sort that out amongst themselveswe zijn toch onder elkaar • after all we are by ourselveshet zijn vrienden onder elkaar • they are all friends (together)op elkaar liggen • lie one on top of the otherdingen tegen elkaar zetten/leggen/drukken • put/lay/press things togetherdie groep is uit elkaar gevallen • the group has split updie auto valt bijna (van ellende) uit elkaar • that car is falling apartze zijn uit elkaar gegroeid • they (have) drifted apart(personen of zaken) (goed) uit elkaar kunnen houden • be able to tell (people/things) apartuit elkaar gaan • 〈 gezelschap, commissie, jury〉 break up; 〈 vrienden, echtgenoten〉 split up/break up; 〈 menigte, betogers〉 disperseeen machine uit elkaar halen/nemen • strip down/dismantle a machinezij zijn familie van elkaar • they are relatedzij hebben veel van elkaar • they are very much alikehij heeft zijn zaakjes goed voor elkaar • he's got things fixediets niet voor elkaar kunnen krijgen • not manage (to do) somethinghet is voor elkaar • it has been taken care ofelkaar uit de weg gaan • avoid each other -
13 draaien
4 [in een toestand brengen] turn5 [telefoonnummer kiezen] dial7 [afspelen] play♦voorbeelden:een sjekkie draaien • roll a cigarettehet gas hoger/lager draaien • turn the gas up/downeen deur op slot draaien • lock a dooreen plaat draaien • play a record1 [zich rond een middelpunt bewegen] turn (around) ⇒ revolve, rotate, 〈 planeten〉 orbit, 〈 om as〉 pivot, 〈 snel, tollend〉 spin, 〈 snel, tollend〉 gyrate, 〈 snel, tollend〉 whirl3 [draaiend komen of gaan] turn (one's way) into/out of4 [niet voor de waarheid uitkomen] be evasive5 [vertoond worden] be on/shown♦voorbeelden:een draaiende bal • a spinning ballin het rond draaien • turn/spin roundde aarde draait om de zon • the earth revolves/orbits around the sunzit niet zo te draaien! • stop fidgeting!met de ogen draaien • roll one's eyesde weg draaide scherp naar links • the road made a sharp turn to the leftde auto draait de hoek om • the car is turning the corner6 met winst/verlies draaien • work at a profit/lossde zaak draaiende houden • keep things goingeen programma laten draaien op de computer • run a program on the computerhet team draaide uitstekend • the team was functioning extremely well -
14 zitten
1 [gezeten zijn] sit2 [zich met een doel ergens bevinden] sit3 [een functie bekleden] be4 [geruime tijd ergens vertoeven; verblijven] be5 [wonen] live6 [zich bevinden in de genoemde toestand] be7 [met betrekking tot een volharden in, gelaten worden op een plaats, in een toestand] 〈 zie voorbeelden〉8 [met betrekking tot zaken, zich bevinden, bevestigd zijn] be9 [met betrekking tot kleding] fit10 [gevuld, bedekt zijn met] be12 [met onbepaalde wijs] [bezig zijn met] be (… -ing), sit (… -ing)♦voorbeelden:1 blijf zitten • stay sitting (down), remain seatedgaan zitten • sit down, take a seat〈 figuurlijk〉 er eens voor gaan zitten • 〈 ter hand nemen〉 get (right) down to something/business; 〈 omstandig gaan vertellen〉 launch into one's storyzit je goed/lekker? • are you comfortable?aan de koffie zitten • be having coffeebij welke groep zit jij? • which group are you in?Jones zit in een vergadering • Jones is at a meeting3 in het bestuur zitten • be/serve on the boardop een kantoor zitten • be/work in an officewaar zit hij toch? • where can he be?nog in de kleine kinderen zitten • still have young children (on one's hands)hij zit in de amusementswereld/olie-industrie • he is in entertainment/oilwij zitten nog midden in de examens • we are still in the middle of the examsmet een gebroken been zitten • have a broken legop zware lasten zitten • have heavy expenseszonder werk/benzine zitten • be out of work/petrol(bijna) zonder geld zitten • have run short of moneyhij zit erover in dat hij zijn auto moet verkopen • he's upset about having to sell his car7 〈 figuurlijk〉 die weduwe bleef met twee kinderen zitten • that widow was left with two children (on her hands)op school blijven zitten • stay down a classer is iets tussen mijn tanden blijven zitten • something has (got) stuck between my teeth〈 figuurlijk〉 hij liet het er niet bij zitten • 〈 niet over zijn kant laten gaan〉 he didn't take it lying down; 〈 erover blijven zeuren〉 he wouldn't leave it alonedaar zitten we dan! • now we're in a messmet een probleem zitten • have a problemhoe zit het (dan) met …? • what about … (then)?het blijft niet zitten • it won't stay putlaat maar zitten • keep the changedat zit • that will holdhoe zit dat in elkaar? • how does it (all) fit together?; 〈 figuurlijk ook〉 how does that work?〈 figuurlijk〉 hem hebben zitten • 〈 uit zijn humeur zijn〉 be in a bad mood; 〈 dronken zijn〉 have had (a drop) too much〈 figuurlijk〉 daar zit het 'm in • that makes all the difference; 〈 daar gaat het juist om〉 that's the whole point〈 figuurlijk〉 er zit iets achter • 〈 ook〉 there's more to it (than meets the eye); 〈 verborgen moeilijkheid〉 there must be a catch to it〈 figuurlijk〉 er zat niets anders op dan toe te geven • there was nothing (else) for it but to give in〈 figuurlijk〉 wat zit er anders op? • what else is there to do?het zit los/scheef • it is loose/crooked〈 figuurlijk〉 alles zit hem mee/tegen • everything is going his way/against himzit het goed vast? • is it well secured?〈 figuurlijk〉 waar zit het hem in? • 〈 wat is de moeilijkheid〉 what's the problem?; 〈 oorzaak〉 what caused/what's causing it?in sla zit vitamine C • lettuce contains vitamin Cer zit onweer in de lucht • a thunderstorm is brewingheb jij geld in zijn zaak zitten? • have you got money in his business?er zit een vlek op je jurk • there is a stain on your dress〈 figuurlijk〉 〈 met een gebaar naar de keel〉 het zit me tot hier • I'm fed up (to the back teeth) with it〈 figuurlijk〉 hoe zit dat? gaan we of blijven we thuis? • what about it now? are we going or are we staying at home?die roman/film zit uitstekend in elkaar • that novel/film is beautifully constructed〈 figuurlijk〉 weet jij, hoe de zaak precies in elkaar zit? • do you know all the ins and outs of the matter?ergens vol mee zitten • be full of somethingonder de modder/luizen/schulden zitten • be covered with mud/lice, be (up to one's ears) in debt12 we zitten te eten • we are having dinner/lunchze zit daar maar te piekeren • she just sits there broodinghij zit te springen om naar huis te gaan • he can't wait to go homein zijn eentje zitten zingen/drinken • sit singing to oneself, be a lone drinkerzitten te zitten • hang/sit aroundhet zit er aan te komen • it's on its wayop tekenles zitten • be taking drawing lessonsop water en brood zitten • be (kept) on bread and waterwegens diefstal zitten • do time for thefthij zit overal aan • he cannot leave anything aloneachter de meisjes aan zitten • chase ((around) after) girlsdaar zit een vrouw achter • there is a woman involvedde zomer zit er weer op • the summer's over againmijn taak zit er weer op • that's my job out of the wayhet zit erop • that's that (done)wie heeft er aan mijn recorder gezeten? • who has been at/ 〈 ernstiger〉tampering with my cassette-player?〈 figuurlijk〉 achter iemand/iets aan zitten • pursue someone/something; 〈 proberen relatie aan te knopen〉 be after someone; 〈 volgen〉 follow someoneer zit een actrice in haar • she has the makings of an actress (in her)ze zit goed in de kleren • she is well off for clothesdeze auto zit al gauw op 120 km • this car does 120 km fairly easily -
15 team
1 team♦voorbeelden:een team samenstellen • put together teameen team vormen met iemand • team up with someonesamen een team vormen • team up togetherin een team werken • work in a teamhij speelt in het tweede team • he plays for the reserves/reserve team -
16 verbinden
1 [samenvoegen] join (together) ⇒ connect (to/with)3 [omzwachtelen] bandage4 [door een overeenkomst/band koppelen aan] connect, attach ⇒ join (up)♦voorbeelden:1 verbinden met • join to, connect to/with, link (up) to/wither zijn geen kosten aan verbonden • there are no expenses involvedeen man met een vrouw in de echt verbinden • join a man to a woman in marriagehet verbindt u tot niets • it does not commit you to anythingkunt u mij met de heer X. verbinden? • could you put me through to Mr X?II 〈wederkerend werkwoord; zich verbinden〉1 [zich verplichten] commit oneself (to)2 [scheikunde] combine (together)♦voorbeelden:1 zich verbinden om werk te doen • undertake/agree to do workzich voor twee jaar aan een baan verbinden • tie oneself to a job for two years -
17 boek
n. book, printed work which is bound together; quire, set of printed sheets arranged in the proper order after folding -
18 boekblok
n. book, printed work which is bound together -
19 harmonisch
1 [blijk gevend van harmonie] harmonic2 [kalm] harmonious♦voorbeelden:een harmonisch geheel vormen • blend (in)/go well (together)harmonische tonen • harmonics, harmonic tonesharmonisch met iemand samenwerken • work in harmony with someone -
20 hoe zit dat in elkaar?
hoe zit dat in elkaar?how does it (all) fit together?; 〈 figuurlijk ook〉 how does that work?Van Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels > hoe zit dat in elkaar?
- 1
- 2
См. также в других словарях:
work together — index combine (act in concert), consolidate (unite), cooperate, federalize (associate), involve ( … Law dictionary
Work — (w[^u]rk), v. i. [imp. & p. p. {Worked} (w[^u]rkt), or {Wrought} (r[add]t); p. pr. & vb. n. {Working}.] [AS. wyrcean (imp. worthe, wrohte, p. p. geworht, gewroht); akin to OFries. werka, wirka, OS. wirkian, D. werken, G. wirken, Icel. verka,… … The Collaborative International Dictionary of English
work as a team — ► to work together in order to achieve a shared aim, rather than trying to achieve things just for yourself or working against others: »Working as a team will enable us to achieve things we never could alone. Main Entry: ↑team … Financial and business terms
work camp — work′ camp n. 1) a camp for prisoners sentenced to labor, esp. to outdoor labor 2) cvb a volunteer project in which members of an organization work together for a cause • Etymology: 1930–35 … From formal English to slang
together — to|geth|er1 [ tə geðər ] adverb *** ▸ 1 combined or joined ▸ 2 with each other ▸ 3 near each other ▸ 4 against each other ▸ 5 when people unite ▸ 6 at the same time ▸ 7 considered as whole ▸ 8 in a relationship ▸ + PHRASES 1. ) if you put two or… … Usage of the words and phrases in modern English
together — I UK [təˈɡeðə(r)] / US [təˈɡeðər] adverb *** 1) a) if you put two or more things together, you combine them to form a single thing Now add the numbers together. together with: Mix the flour together with the milk. b) if you sew, stick, join etc… … English dictionary
Together for the First Time — Infobox Album Name = Together for the First Time Type = Album Longtype = Artist = Bobby Bland and B. B. King Released = 1974 Recorded = Genre = Blues Length = Label = Dunhill Records Producer = Steve Barri Reviews = * Allmusic Rating|2|5… … Wikipedia
Work spouse — A work spouse is a co worker, usually of the opposite sex,[1] with whom one shares a special relationship, having bonds similar to those of a marriage; such as, confidences, loyalties, shared experiences, and a degree of honesty or openness. The… … Wikipedia
work — Hana, hahahana. See sayings, hoe, keha, pa i5, pī2, pīkoikoi2; see unemployed. To work carefully, akahana. Tedious, prolonged work, pa u hana. Work with hands (manual), hana lima. Unusual or rare work, hana hihiu. Work… … English-Hawaiian dictionary
work camp — noun a camp for trustworthy prisoners employed in government projects (Freq. 1) • Syn: ↑prison camp, ↑prison farm • Hypernyms: ↑camp * * * noun : a camp for workers: as … Useful english dictionary
together — 1. adverb 1) friends who work together Syn: with each other, in conjunction, jointly, in cooperation, in collaboration, in partnership, in combination, in league, in tandem, side by side, hand in hand, shoulder to shoulder, cheek by jowl; in… … Thesaurus of popular words